Op 25 januari bood Natuurmonumenten aan staatssecretaris Martijn van Dam van EZ een zogenaamd Aanvalsplan voor het Nederlandse Landschap aan, met de titel ‘Een landschap om te koesteren’. Als start van de campagne ‘Bescherm ons Nederlandse landschap’. De consequenties die de vereniging daaraan verbindt roepen echter vragen op.

Als oorzaak van de ‘verwoesting’ van ons landschap wordt het terugtrekken van de (rijks)overheid als hoeder van het landschap beschouwd, waardoor schaalvergroting van de landbouw en de claims vanuit infrastructuur, stedelijke ontwikkeling en energiewinning slecht begeleid worden. Over de degradatie van het Nederlandse landschap maken veel mensen zich zorgen. Natuurmonumenten opent het debat over de kwaliteit van het land buiten hun eigen terreinen. Ze speelt met dit initiatief op een tactisch goed gekozen moment de kaart van de vereniging: landschap vraagt om burgerbeweging. Het aanvalsplan sluit goed aan op actuele discussies over wel of niet bouwen aan de kust, over de verkiezing van het mooiste natuurpark van Nederland en over de balans tussen wildernis en natuurtoerisme in de Oostvaardersplassen. Er is dan ook genoeg reden voor allen die begaan zijn met ons landschap om dit initiatief te ondersteunen en de petitie te ondertekenen.

Op streekconferenties die Natuurmonumenten de afgelopen jaren heeft georganiseerd zijn in verschillende delen van het land oplossingen verzameld om het probleem te lijf te gaan. Met maar liefst 24 zeer uiteenlopende aanbevelingen om het tij voor het landschap te keren lijkt het aanvalsplan nog niet erg trefzeker. De voorstellen variëren van het instellen van een landschapsfonds voor landschapsinrichting en het verdelen van het land in drie zones - natuur, landbouw en menggebied - tot het opzetten van een organisatie voor bescherming van historische landschappen en het bieden van meer ruimte voor natuuronderwijs. Het plan legt de nadruk bovendien sterk op behoud en herstel van kleinschalige ‘authentieke’ landschappen, zoals we die kennen in de Achterhoek en Zuid-Limburg. Daarmee wordt ons sterk gedifferentieerde cultuurlandschap, waar immers ook de droogmakerijen, de Maasvlakte en snelwegpanorama’s deel van uit maken, tekort gedaan. De opgave moet zijn om héél het land mooi te houden en waar mogelijk aantrekkelijker te maken.

Een landschap dat overigens al eeuwen voortdurend in verandering is. Aangepast en veranderd naar nieuwe inzichten en met de ter beschikking staande technische mogelijkheden, om tegemoet te komen aan de noden van die tijd. En dat nu weer voor grote opgaven staat, zoals het omgaan met bodemdaling, de stijging van het water, het voeden van een groeiende wereldbevolking en het duurzaam opwekken van energie. Dit is een ontwerp- en planningsopgave van grote omvang, onderkent het advies ‘Verbindend Landschap’ van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur dat november vorig jaar het licht zag. Daarin wordt opgeroepen voort te bouwen op de eeuwenoude traditie van vormgeven aan het landschap.

Het doemscenario zou zijn als ons landschap nu wordt opgeknipt in de definitief opgegeven en de definitief gekoesterde compartimenten. Met naast elkaar gebieden voor energieproductie, voedselproductie, waterberging en transport. Zonder schoonheid en zonder onderlinge samenhang, slechts gecompenseerd door een aantal ‘authentieke landschappen’ als openluchtmusea. Een adequate aanpak van de grote ruimtelijke opgaven vereist een goed ontworpen samenhangend landschap, waarin alle benodigde functies een plek en vorm krijgen. Het Rijk wil inderdaad geen regisseur meer zijn van landschapsontwikkeling, maar een maand geleden hebben ministers Schultz en Bussemaker wel de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp uitgebracht met de titel ‘Samen werken aan ontwerpkracht’. Die biedt een aantal prachtige condities voor een gewetensvolle en uitgebalanceerde ontwikkeling van het landschap.

Mijn oproep aan Natuurmonumenten is om bij verdere uitwerking hierop voort te bouwen en aan te zetten tot een gestructureerde brede aanpak van maatschappelijke vraagstukken, waarin het landschap centraal staat. Dan zal er ook sprake zijn van een levend landschap, dat de economische activiteiten faciliteert en beleefbaar maakt, verbonden met het rijke verleden. Waarin naast ruimte voor ontwikkeling ook ruimte is voor behoud van dierbaar erfgoed. Koesteren is immers, zoals ook Natuurmonumenten onderschrijft, meer dan alleen behouden. Het is de liefdevolle benadering van waaruit het landschap zich kan blijven ontwikkelen.

In de ontwerpwereld is al veel ervaring opgedaan met nieuwe vormen van samenwerking en participatie. En de Landschapstriënnale die in september dit jaar zal plaatsvinden in de Haarlemmermeer onder de titel ‘Het Volgende Landschap’ biedt een fantastisch platform voor burgers en overheid, leken en experts, om met elkaar het hoognodige debat aan te gaan hoe we gezamenlijk vorm gaan geven aan het landschap van onze kinderen. Ik hoop dat velen hier aan zullen deelnemen. Om de schoonheid van heel het landschap.

Ir. Ben Kuipers
Landschapsarchitect en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Tuin- en Landschapsarchitectuur NVTL
 
3 Februari 2017