5 vragen aan: Noël van Dooren als nieuwe Rijksadviseurs voor de Fysieke Leefomgeving - NVTL

5 vragen aan: Noël van Dooren als nieuwe Rijksadviseurs voor de Fysieke Leefomgeving

v.l.n.r.: Thijs van Spaandonck, Noël van Dooren, Francesco Veenstra, Jannemarie de Jonge en Wouter Veldhuis. Foto door Sandra Uittenbogaart.

Details

5 vragen aan is een rubriek op de NVTL.nl en in nieuwsbrief Het Kanaal. We laten diverse leden aan het woord: leden die al jaren lid zijn, nieuwe leden, student leden en bureauleden. Wil je ook meedoen of iemand voordragen? Stuur een mail.

wo 2 april 2025

Noël van Dooren en Thijs van Spaandonk zijn benoemd tot nieuwe Rijksadviseurs voor de Fysieke Leefomgeving. Per 1 april 2025 volgen zij Jannemarie de Jonge en Wouter Veldhuis op. Samen met Rijksbouwmeester Francesco Veenstra vormen zij het College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs (CRa). Als landschapsarchitect en NVTL-lid vroegen we Noël van Dooren naar zijn nieuwe functie en stelden hem vijf vragen.

Wat is voor jou de belangrijkste motivatie om Rijksadviseur voor de fysieke Leefomgeving te worden?

Het is eervol dat ik dit mag doen, maar mijn drijfveer is het landschap, onze leefomgeving. Het Rijksadviseurschap is één van die schaarse plekken waar je invloed kan uitoefenen op de toekomst van het landschap – als je je werk goed doet. Natuurlijk heb ik mezelf heel wat keren afgevraagd: Kan ik dit, wil ik dit, wil ik dit in deze tijd? Ik ga dan praten met vrienden en vakgenoten, test ideeën uit, hoor meningen en begin langzaam te denken: ja, ik weet wat ik er mee wil. Ik heb voor mezelf een stevige agenda opgesteld die natuurlijk over allerlei thema’s en vraagstukken in het landschap gaat, maar ook over de ontwikkeling van de landschapsarchitectuur en het ontwerpen – denk aan de inzet van artificial intelligence. Of de beroepservaring, zoals de bij- en nascholing die beter moet. Maar ik wil ook op de bres springen wanneer te makkelijk bomen langs wegen het verliezen van opvattingen over veiligheid. Mijn lijst omvat moeiteloos meer dan 30 punten, maar we gaan nu vooral samen aan de slag. Met mijn maatje Thijs van Spaandonk voor de stedelijke kant en met Francesco Veenstra als Rijksbouwmeester gaan we de komende tijd een gezamenlijk plan bepalen. Dat is een evenwichtsoefening waarbij we samen één college willen zijn en ik tegelijk in mijn eigen rol een herkenbare agenda voor het landschap wil uitvoeren. Op 3 juli vertellen we er meer over op de Dag van de Ontwerpkracht!

Waar kijk je het meest naar uit in deze functie?

Ik houd van functies waarin je uitgenodigd wordt om met een agenda te komen. Na mijn jaren als landschapsarchitect bij H+N+S was ik vakjournalist, hoofd Landschapsarchitectuur bij de Academie van Bouwkunst in Amsterdam, lector bij Van Hall Larenstein en provinciaal adviseur in Zuid-Holland. Ik kan goed uit de voeten met het idee dat je een paar jaar krijgt met veel vrijheid om zelf de prioriteiten te bepalen. Waar ik wel verrast door was is hoe veel aan onzichtbaar werk binnen het CRa verzet wordt door een behoorlijk groot team met gedreven en slimme mensen. De rol van de Rijksadviseur krijgt veel aandacht, maar het is veel meer dan dat. Het kost wat tijd om daar zicht op te krijgen, maar we worden als nieuwe Rijksadviseurs ook echt gedragen en in positie gebracht. Dat is juist in deze toch niet eenvoudige tijd van belang. Voor mij was dat een belangrijke reden om volmondig ja te zeggen tegen deze functie. Het samen bedenken aan welke onderwerpen je in deze jaren aandacht wilt en moet besteden, en wat dan de goede vorm is om dat te doen, vind ik heel aantrekkelijk.

Hoe zie jij de toekomst van de landschapsarchitectuur?

De toekomst van de landschapsarchitectuur is prachtig maar kwetsbaar. Kwetsbaar, omdat we met weinig zijn, niets for granted kunnen nemen en continu actief moeten zijn om uit te dragen waar de bijdrage van landschapsarchitectuur kan zitten.

Tegelijk geldt voor veel van de grote vraagstukken waar we nu mee worstelen dat ze ruimte vragen, in het landschap moeten landen, zich moeten verhouden tot andere gebruikers of betekenissen. Landschapsarchitecten zijn behoorlijk geschoold om de grotere verbanden te zien in de tijd en tussen opgaven, de goede schaal te pakken en opdrachtgevers of het grote publiek door middel van tekeningen deelgenoot te maken van de natuurlijke nieuwsgierigheid die er in het vak zit. Maar we weten allemaal dat we niet heel ver hoeven te zoeken, ook in de wereld van bestuurders of beleidsmakers, om iemand te vinden die weinig idee heeft van wat landschapsarchitectuur kan bijdragen. Dat is een feit waar niemand over verrast zal zijn, er is altijd werk aan de winkel. Het glas is halfvol wat mij betreft.

Wat is jouw visie op integraliteit in de opgaven waar je voor staat?

Integraliteit vind ik een rotwoord. Het doet me denken aan mijn studietijd toen we ‘integraal’ iets te vaak gebruikten en onszelf overschatten met het idee dat we als landschapsarchitect over alles gaan. Maar als ik de vraag positief begrijp: er zitten heel veel dwarsverbanden in de grote opgaven die ik zie, en een goed advies in het ene domein zou idealiter laten zien hoe dat ook een doorbraak in een ander domein kan zijn. Daarmee zeg ik weinig nieuws, maar het vereist wel dat je wilt duiken in het systeem onder een vraagstuk. Ik heb me in ieder geval tot doel gesteld in mijn periode als Rijksadviseur het vraagstuk van drinkwater aan te pakken. Schoon en genoeg drinkwater leek altijd vanzelfsprekend, maar dat is niet meer zo. Daar kun je alleen iets zinnigs over zeggen als je je ook over het watersysteem als geheel uitspreekt, het over de landbouw wilt hebben, of abstracter over watervragende functies die op de goede plek moeten zitten, of over de toekomst van nutsvoorzieningen in het algemeen. Daar bovenop: uiteindelijk moeten mensen wel in een toekomstverhaal willen meegaan. Dat gaat niet vanzelf, dat vraagt continu aandacht.

Je noemt jezelf een ‘kwaliteitsklever’. Wat betekent deze term voor jou?

In mijn afscheidsboekje als provinciaal adviseur in Zuid-Holland parafraseerde ik het woord van het jaar in 2023. Dat was klimaatklever. Ik noemde mezelf toen ‘kwaliteitsklever’. Dat woord drukt iets koppigs uit, vasthoudend, misschien soms zelfs irritant, maar dat mag, of beter gezegd dat moet, want het streven naar kwaliteit is niet vanzelfsprekend. In zo’n rol als PARK of nu als Rijksadviseur is die vasthoudendheid simpelweg mijn opgave. Er zit ook iets vrolijks en optimistisch in het woord, dat is meer de associatie met de boomklever. Wij zien in onze Utrechtse stadstuin de laatste tijd vaker een boomklever, en die prachtige vogel doet zijn naam eer aan door in onwaarschijnlijke posities aan bomen te kleven. Zo atletisch ben ik in het geheel niet, maar in overdrachtelijke zin gaat het om timing, taalvaardigheid, overtuigingskracht en soms een list om kwaliteitsvraagstukken op de agenda te houden. Dat zal af en toe best pittig zijn, maar de lichtvoetigheid van de boomklever trekt me aan.