5 vragen aan: René van der Velde - TU Delft - NVTL

5 vragen aan: René van der Velde – TU Delft

Details

5 vragen aan is een rubriek op NVTL.nl, social media en in nieuwsbrief Het Kanaal. We laten diverse leden aan het woord: leden die al jaren lid zijn, nieuwe leden, studentleden en bureauleden. Wil je ook meedoen of iemand voordragen? Stuur ons een mail.

ma 10 november 2025

1 – Wie ben je, wat is je achtergrond en wat doe je?

Ik ben universitair hoofddocent aan de faculteit bouwkunde van de TU Delft, waar ik lesgeef in de mastertrack landschapsarchitectuur, waaraan ik ook tijdens de oprichtingsjaren (2007-2010) werkte qua curriculumontwikkeling en organisatie. Ik geef tegenwoordig ook leiding aan het onderzoek van de sectie landschapsarchitectuur en daarbinnen aan onderzoekscluster Urban Forestry.

Mijn achtergrond is wat ongebruikelijk: ik kom uit Australië (maar wel met Nederlandse roots) en volgde daar eerst een opleiding tot boswachter voordat ik de overstap maakte naar landschapsarchitectuur. Ik studeerde achtereenvolgens op Greenwich University en de Academie van Bouwkunst, en ben daarna gepromoveerd op de TU Delft.

Totdat ik in Delft ging werken in 2007, heb ik in de ontwerppraktijk gewerkt aan projecten zoals de ondergrondse gasoplag in Langelo en de ontwikkelvisie voor de IJ-Oevers in Amsterdam, bij het bureau van Alle Hosper. Ook heb ik mijn eigen praktijk gehad in Melbourne, waar ik onder andere aan Federation Square tekende en daarnaast lesgaf op RMIT University.

Wat ook wat ongebruikelijk is, is mijn interesse voor enerzijds bomen, bos en natuur en anderzijds de stad en het stedelijk leven. Maar die combi is minder vreemd als je kijkt naar de uitdagingen voor ons vakgebied: veel van onze problemen – en oplossingen – liggen op het snijvlak van deze werelden.

 

TU Delft faculteit Bouwkunde.

 

2 – Wil je iets vertellen over je voornaamste onderzoek bij TU Delft?

Qua onderzoek focus ik me sinds een aantal jaren op urban forestry; op de manier waarop het stadsbosmozaïek (het stelsel van door bomen gedomineerde ruimte binnen de stad) beter begrepen en ingezet kan worden in het samenbrengen van het biofysisch en sociale weefsel van steden, en daarbij problemen zoals klimaatadaptatie, sociale cohesie en biodiversiteit kan helpen oplossen.

Om dit te bereiken ontwikkel ik samen met mijn groep kennis, methodes en tools rondom een breed scala aan onderwerpen, van boomarchitectuur, bomentaal en de geschiedenis van het stadsbosmozaïek, tot data en tools zoals i-Tree, mobiele bosbouw, nieuwe vormen van zorg met stadsbomen, en concepten zoals bos-stedenbouw.

Mijn werk wordt ondersteund met een research fellowship van de VHG en van onderzoeksbeurzen van onder andere topsector ClickNL. Ik werk veel met gemeentes, buurten en adviesbureaus via ‘action research’. Studenten in de mastertrack landschapsarchitectuur kunnen ook afstuderen in de richting Urban Forestry.

 

Vier illustraties van bomenformaties uit ‘Atlas of Tree City Holland‘, een publicatie geïnitieerd door de Urban Forestry groep.
Visualisatie van de Urban Climate Grove in de voorhof van faculteit Bouwkunde.

 

3 – Hoe staat het met het landschapsarchitectuuronderwijs in Nederland, wat zijn de grootste overwinningen en uitdagingen?

Tijdens het opzetten van de mastertrack in TU Delft kom je erachter hoe veelzijdig en volwassen het landschapsarchitectuuronderwijs in Nederland eigenlijk is. Het enige dat nog qua master (en dus toetreding tot het register) ontbrak, was de aanvliegroute vanuit de building sciences (TUD), in aanvulling op de routes vanuit de life sciences (WUR) en Arts & Humanities (AvB). Nu hebben we effectief alle smaken van landschapsarchitectuuronderwijs in Nederland, wat de internationale situatie weerspiegelt. Daarnaast zijn er bacheloropleidingen in Velp en Den Bosch – van waaruit je door kunt studeren in Wageningen, Amsterdam en Delft – of van waaruit je de praktijk in kunt. Sinds een aantal jaren hebben we ook een mooie samenwerking met elkaar opgezet met de DSL – the Dutch School of Landscape Architecture, een platform waar we veel uitwisselen en samen optrekken op belangrijke thema’s. Sinds kort zijn Erasmushogeschool Brussel en KASK & Conservatorium (HOGENT – Howest) ook aangesloten bij de DSL.

Qua generieke kennis en vaardigheden zijn de opleidingen vergelijkbaar en van een hoog niveau, en tegelijkertijd zijn ze ook complementair aan elkaar qua aanvliegroute. Het niveau wordt regelmatig getoetst tijdens visitaties, die op hun buurt ingebed zijn in de ingangseisen van het register voor de landschapsarchitectuur. Die ingangseisen (en het register zelf) weerspiegelen de volwassenheid en vanzelfsprekendheid van het vakgebied in Nederland. Dat vitale vakgebied heeft op zijn beurt goed opgeleide landschapsarchitecten nodig. De kwaliteit van het landschapsarchitectuuronderwijs is dus mede te danken aan de wisselwerking tussen praktijk en onderwijs. Een diploma landschapsarchitectuur uit Nederland betekent dan ook wel wat, te zien in de aantal aanvragen van buitenlandse studenten voor opleidingen elk jaar.

Ondanks de stevige positie zijn er uitdagingen. De praktijk – en in het verlengde ervan het onderwijs – moet zich aanpassen aan een snel veranderende wereld waar andere kennis, vaardigheden en ook andere houdingen nodig zijn. Een van de grootste thema’s voor ons vakgebied is de grenzen van de planeet (en de ‘micro-delen’ ervan: regio’s, gebieden, openbare ruimte en plekken). We moeten landschapsarchitecten opleiden die nog meer de verschillende mogelijkheden en onmogelijkheden bewaken en oplossingen zoeken op de schaal van plek en planeet tegelijk. Integraal denken, meer doen met processen en actoren, meer denken in tijd en schaalniveaus. Ook andere ‘externe’ factoren blijven een uitdaging, denk aan een overheid die plots wil bezuinigen op hoger onderwijs, of de opkomst van AI die veel uit handen kan nemen maar misschien ook veel te veel.

 

4 – Wat is het ideale curriculum voor de landschapsarchitect van de toekomst? 

Een opleiding, die actief blijft luisteren en inspelen op de praktijk, maar die ook een overkoepelende visie heeft op de wereld en de rol van het vakgebied daarin, heeft toekomst. Die visie ontwikkel je samen met collega’s en via onderzoek, maar ook in samenspraak met andere opleidingen binnen de DSL en internationaal. Het ideale curriculum vertrekt vanuit de basis van het vakgebied, maar blijft zoeken naar de grenzen van datzelfde vakgebied, anticiperend op een veranderende wereld en een actieve houding daarin. Verder wordt voor ons in Delft de basis voor het curriculum nog altijd gevormd door de vier principes die Sébastien Marot al mooi samenvatte: voortbouwen op de eigenschappen van een landschap (plek), de choreografie van landschappelijk materiaal en ruimte (ruimte), ensceneren en cultiveren van nieuwe omstandigheden (proces), en het creëren van relaties met grenzen, aangrenzende gebieden, de omgeving en context (schaalcontinuüm).

 

Vlagoverdracht voor de ECLAS-conferentie door de Slovak University of Agriculture aan DSL. Foto door Judith Jobse.

 

5 – TU Delft is initiatiefnemer om met DSL ECLAS 2026 te organiseren, wat is je ambitie voor dit congres? 

Dat laatste principe van Marot is de rode draad in het thema voor het congres volgend jaar. Een toekomst voor de landschapsarchitectuur waarin het schaalcontinuüm leidend is, maar nu ook de schaal van de planeet. In het verlengde hiervan willen we focussen op het thema Care als nieuwe dimensie voor het vakgebied. Care vraagt om rekening te houden met de grenzen van planetaire systemen, verantwoordelijkheid te nemen voor menselijke ingrepen, en ontwerpkracht te gebruiken om landschappen te creëren die het leven ondersteunen. De titel van de conference – Take Care: Planetary Landscape Architecture – bevestigt de kracht van landschapsarchitectuur om in deze complexiteit te navigeren en bij te dragen aan een zinvolle, eerlijke en veerkrachtige toekomst.

Daarnaast werken we aan een programma waar ruimte is voor verdieping en lezingen, maar ook interactie, feedback en uitwisseling. We willen niet alleen docenten en onderzoekers, maar ook de praktijk erbij; van ontwerpbureaus tot beleidsmakers, verwante disciplines en maatschappelijke actoren. Met dat format willen we werken naar een gedeelde verklaring van alle deelnemers naar de buitenwacht: zo moeten we verder met de planeet en elkaar.