5 vragen aan Philippe Allignet
Details
5 vragen aan is een rubriek op NVTL.nl, social media en in nieuwsbrief Het Kanaal. We laten diverse leden aan het woord: leden die al jaren lid zijn, nieuwe leden, studentleden en bureauleden. Wil je ook meedoen of iemand voordragen? Stuur ons een mail.
Dit interview is oorspronkelijk in het Engels gehouden en is door NVTL vertaald.
1. Wie ben je, wat is je achtergrond en wat doe je?
Mijn naam is Philippe Allignet, landschapsarchitect en afgestudeerd aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam. Ik heb gewerkt bij H+N+S, BOOM Landscape en OKRA, voordat ik anderhalf jaar geleden mijn eigen, in Rotterdam gevestigde praktijk ben gestart: Landscapes as Leverage (LLA).
Mijn weg hiernaartoe was enigszins een omweg. Aanvankelijk wilde ik arts worden om mensen te genezen, en toen dat geen doorgang vond, realiseerde ik me dat ik, als ik mensen niet direct kon genezen, hun welzijn en gedrag wel kon beïnvloeden door hun omgeving vorm te geven. Dat leidde me ertoe tuinontwerp te studeren in Frankrijk en landschapsarchitectuur in Amsterdam.
Ik wilde de vele schaalniveaus van het beroep ontdekken. Ik werkte enkele jaren bij H+N+S en raakte daar vertrouwd met het Nederlandse landschap en de systemische benadering van grootschalige visies en onderzoeksprojecten. Vervolgens stapte ik over naar stedelijk landschapsontwerp bij BOOM Landscape en OKRA, waar ik me onderdompelde in masterplannen, parken, pleinen en vastgoedontwikkelingen.
Ik begreep al snel dat ik, om echt te kunnen experimenteren met de sociale en ecologische kracht van ons beroep, mijn eigen platform nodig had. Daarom ben ik volledig zelfstandig geworden.
Mijn belangrijkste ambitie is om ons mensen opnieuw te verstrengelen met onze omgeving, en om ruimtes en gedrag weer te verwilderen. Tegenwoordig zie ik mezelf enigszins als een ruimtelijk onderhandelaar. Ik geef invulling aan deze ambities via visies en locatiespecifieke ingrepen. Daarnaast ben ik voortdurend op zoek naar manieren om mijn praktijk opnieuw te wortelen, door ideeën zoals productieve beplanting, materiaalprototyping en hergebruik te testen, en deze kennis over te dragen via onderwijs.
2. In je masterscriptie aan de Academie van Bouwkunst onderzocht je hoe het landschap steden in crisis kan transformeren. Wat beschouw je vandaag als de meest urgente ruimtelijke uitdaging in Nederlandse steden?
Als ik er één zou moeten noemen, dan is het de heroverweging van onze stedelijke transformatie¬mechanismen, en de manier waarop we omgaan met het metabolisme van onze steden. Tegenwoordig is het tempo waarin steden transformeren destructief. Dit proces gebeurt vaak in naam van de woningcrisis; het gaat ten koste van de sociale en fysieke sedimenten die door lokale gemeenschappen zijn opgebouwd en leidt tot ongecontroleerde gentrificatie.
Hier in Rotterdam denk ik bijvoorbeeld aan de transformatie van de Tweebosbuurt, een betaalbare maar kwetsbare wijk. Deze werd gesloopt, de bewoners werden verplaatst en het gebied werd herbouwd voor welvarender huishoudens. Ik denk ook aan Zoho, het creatieve bouwblok waar ik deze zinnen schrijf, dat binnenkort zal worden gesloopt ten gunste van woontorens. Steden hebben een grote inertie, en hun ‘patina’ heeft decennia nodig om zich te vormen. Men moet zich afvragen of deze verplaatsingen niet een cruciale culturele rijkdom uitwissen, los van vraagstukken rond sociale rechtvaardigheid en het recht op de stad.
Ik heb deze dynamiek onderzocht in Rotterdam Zuid, waar deze destructieve transformatieprocessen botsen met een dalende ondergrond. Als je dieper kijkt naar beleidsdocumenten zoals de Woonvisie en de Rotterdamwet, blijkt dat veel andere wijken met vergelijkbare bodem- en sociale omstandigheden te maken hebben. Ik geloof dat landschapsarchitecten, samen met stedenbouwkundigen, een rol kunnen spelen bij het creatief en respectvol herdenken van de toekomst van deze gebieden.
Zoals socioloog David Harvey schreef: ‘het recht op de stad is veel meer dan de individuele vrijheid om toegang te hebben tot stedelijke middelen; het is een collectief recht om onszelf te veranderen door de stad te veranderen’. Is het niet tijd om de papieren werkelijkheid van bestemmingsplannen en de beloften van projectontwikkelaars ter discussie te stellen, om van de stad een inclusieve, levendige, creatieve en democratische leefomgeving voor iedereen te maken?
3. Je bureau heet LLA, oftewel ‘Landscapes as Leverage’. Kun je hierop toelichten wat je daarmee bedoelt en een voorbeeld geven van een project dat dit idee belichaamt?
‘Landscapes as leverage’ is precies wat het suggereert: landschapsarchitectuur gebruiken als de primaire katalysator om complexe stedelijke, sociale en zelfs financiële situaties te ontsluiten. Het is een manier om mondiale en lokale uitdagingen integraal aan te pakken en toe te werken naar een meer gesitueerde en logische praktijk.
Een voorbeeld hiervan is het masterplan voor de wijken Valbenoîte–La Rivière in de krimpende stad Saint-Étienne, Frankrijk. Dit gebied van 40 hectare omvat aan de ene kant een strategisch maar disfunctioneel industriegebied, en aan de andere kant een erfgoedrijke maar verarmde woonwijk. Winkels sluiten, actieve openbare ruimtes ontbreken, en de versmalde en gekanaliseerde rivier de Furan meandert achter de percelen langs, terwijl het strikte overstromingsbeschermingsplan elke stedelijke transformatie verhindert. Hier krijgt het inzetten van het landschap als hefboom vorm: we gebruiken de herontwikkeling van de rivier als de belangrijkste katalysator voor de herontwikkeling van het hele gebied.
Ten eerste kunnen we, door ruimte te maken voor de rivier, de bevolking en de omliggende gebouwen beschermen. Tegelijkertijd wordt de rivier een natuurlijk park voor de omliggende wijken, een verbinding met aangrenzende stedelijke centra en een drager van nieuwe functies. Ten tweede herschrijft het verbreden van de rivier de overstromingsbeschermingszone, waardoor de transformatie van de gebouwde omgeving zowel fysiek als juridisch wordt ontsloten. In plaats van een beperking wordt de landschappelijke ingreep zo de sleutel om de hele wijk opnieuw vervormbaar te maken, op korte, middellange en lange termijn, en open en flexibel voor zowel private als publieke ambities.
Hoe breder de rivier, hoe groter de betekenis voor het park en hoe sterker de ecologische veerkracht. In plaats van drie verschillende stedelijke scenario’s te ontwikkelen, stelden we drie ambitie¬niveaus voor de rivier zelf voor, onderbouwd met overstromingsmodellen. Deze integrale benadering, met de rivier als hefboom, maakte de keuzes heel duidelijk voor de opdrachtgever en de lokale vertegenwoordigers. Zij kozen voor de breedste optie; een kleine overwinning op zich.
4. Je projecten houden zich bezig met systemen en langetermijntransformaties. Zie je je rol verschuiven richting strateeg, of zelfs activist?
Misschien een beetje van beide! Aan de ene kant heeft onze samenleving zelf ambities, terwijl zij tegelijkertijd omgaat met haar complexe sociale en ruimtelijke realiteiten. Om het maximale uit een bestaande situatie te halen en tegelijkertijd toekomstige ambities te integreren, is het absoluut nodig een strateeg te zijn: je moet navigeren door complexe werkelijkheden, opkomen voor je overtuigingen en het potentieel van deze trajecten aantonen om grootschalige projecten mogelijk te maken.
Aan de andere kant leven we in een samenleving met een diep gecompliceerde relatie tot haar omringende omgeving. Er gaapt een grote kloof tussen onze dagelijkse menselijke praktijken en de niet-menselijke wereld. Om die kloof te overbruggen, is het nodig om een activist zijn. Je moet complexiteit omarmen en, hoewel alle projecten verschillend zijn, stap voor stap gebeurt het. Dat is wat dit werk zo interessant maakt.
Er zit ook een activistische kant in mijn benadering van het ontwerpproces zelf. Op speelse wijze pleit ik voor een ‘gesitueerd animisme’. Daarmee bedoel ik geen heidense mystiek, maar eerder dat bodem, water, planten en lokale hulpbronnen worden beschouwd als gelijkwaardige partners, in plaats van louter exploiteerbare of wegwerpbare middelen. Deze houding vertaalt zich vanzelf naar een bredere ethiek van zorg voor het milieu, die samenhangt met dynamieken zoals post-groei, circulariteit en localisme. Het erkennen van de verwevenheid tussen mensen en niet-mensen vormt een fundamentele uitdaging voor ons vak. Het dwingt ons om vragen te stellen als: hoe bouwen we binnen planetaire grenzen, voor wie ontwerpen we en met welk doel?
Of het nu gaat om het openbreken van asfalt op een schoolplein, het hergebruiken van gebroken materiaal, het omvormen van gazons tot bloemrijke graslanden of simpelweg het vergroten van bewustzijn, het doel is steeds hetzelfde: ruimtelijk ontwerp inzetten om gedrag te veranderen. Uiteindelijk gaat het om het stimuleren van nieuwsgierigheid, wederzijds begrip, synergieën en respect tussen mensen en het wilde.
5. Je werkt voornamelijk internationaal. Hoe verschilt de Nederlandse benadering van tuin- en landschapsontwerp van wat je internationaal ziet?
Zoals het spreekwoord zegt: ‘God schiep de wereld, de Nederlanders schiepen Nederland’; het land is vrijwel volledig door de mens gemaakt. Omdat ruimte schaars en sterk gereguleerd is, wordt de Nederlandse benadering gekenmerkt door systemische controle, samenhang in planning en ontwerp, en indrukwekkende technische expertise.
In veel opzichten vind ik inderdaad dat de Nederlandse aanpak, haar landschapsarchitectuurcultuur en -bewustzijn (en de concrete resultaten daarvan), voorloopt. Het is een luxe om te werken in een land dat begrijpt waar landschapsarchitectuur over gaat. Het lijkt misschien logisch om te spreken over systemen, samenhang door de schaalniveaus heen en ruimtelijke kwaliteit, maar dat is internationaal gezien niet vanzelfsprekend. Van daaruit is integraal denken geen strijd meer, maar een gegeven. Dit bevordert nieuwsgierigheid en creativiteit en voegt waarde toe die disciplines en belangen overstijgt, met betekenisvolle ingrepen die het gehele systeem ten goede komen.
Een tweede verschil heeft te maken met concepten en narratieven. Je leert om elke ontwerpbeslissing te verankeren in een helder en leesbaar verhaal. Dit vertaalt zich direct in de geometrie en ruimtelijke kwaliteit van mijn ontwerpen. Of ik nu werk aan een park of een tuin in Frankrijk of België, een onderliggende structuur is altijd rigoureus georganiseerd. De wildernis wordt gekaderd door een sterke, intentionele geometrie, wat resulteert in een zeer creatieve ruimtelijke ervaring.
Tegelijkertijd is er in mijn internationale werk vaak iets meer ruimte voor ongeregeldheid. Via LLA probeer ik hierin een brugfunctie te vervullen. Ik breng het rigoureuze Nederlandse denken; de systemen, de schaalniveaus, de sterke conceptuele narratieven, naar mijn projecten in het buitenland. Maar ik probeer ook dat internationale gevoel voor rauwe ecologie terug te brengen naar Nederland. In zekere zin gebruik ik de scherpe geometrie en systemische logica die ik hier heb geleerd om de ongeregelde, tastbare realiteit van de natuur te kaderen en te versterken.