5 vragen aan Remco van der Togt - NVTL

5 vragen aan Remco van der Togt

Foto: Chris Rijksen

Details

5 vragen aan is een rubriek op NVTL.nl, social media en in nieuwsbrief Het Kanaal. We laten diverse leden aan het woord: leden die al jaren lid zijn, nieuwe leden, studentleden en bureauleden. Wil je ook meedoen of iemand voordragen? Stuur ons een mail.

Dit interview is oorspronkelijk in het Engels gehouden en is door NVTL vertaald.

vr 21 augustus 2026

1. Wie ben je, wat is je achtergrond en wat doe je bij BREM landschap?

Ik ben opgeleid als landschapsarchitect in Wageningen. Voor mijn studiegenoten was ik een jongen uit de stad; echt stedelijk kan je de bloemkoolwijk van Maarssenbroek en VINEX van Leidsche Rijn niet noemen, maar het was wel duidelijk anders dan de plekken waar zij vandaan kwamen. Zij kwamen uit de landschappen waar wij op excursie gingen: kleine dorpen, slingerende beken, uitgestrekte bossen. Voor een jongen uit ‘de stad’ was dat fantastisch. Nog steeds kan ik volledig verrast worden door de alledaagse schoonheid van een plek waar ik aan de slag ga.

Dat er grotendeels een plan achter zat, of in ieder geval over is nagedacht, doet daar geen afbreuk aan, maar maakt het voor mij alleen maar interessanter. Zo ontdekte ik dat de plas waarin ik als kind zwom onderdeel was van een ruilverkaveling waar Hans Warnau aan heeft gewerkt. Zo kan je zoveel doorsnee plekken in Nederland met een groot ontwerper verbinden waarvan de mensen niet weten dat het überhaupt ontworpen is. Dat soort vanzelfsprekende landschappen en plekken probeer ik ook te ontwerpen; systemen die logisch in elkaar zitten en plekken die een vanzelfsprekende schoonheid hebben en mogen ontwikkelen en veranderen over tijd. Dat vind ik een van de moeilijkste dingen die er is, maar daar zit voor mij wel de lol. Vanuit dat perspectief probeer ik grootschalige landschappen gezonder te maken, kleine dorpen te versterken, en kies ik ook de beplanting en materialen voor plannen voor de openbare ruimte.

Het werkproces

Opname van de film Zilt nu! Een samenwerking met De Onkruidenier en Anastasija Pirozenko

2. Waarom heb je BREM landschap opgericht, en wat wilde je met een eigen bureau mogelijk maken?

Ik heb eigenlijk nooit de ambitie gehad om een eigen bureau te beginnen. Na mijn studie heb ik meer dan 10 jaar met plezier bij Strootman Landschapsarchitecten gewerkt, tot ik op een gegeven moment het gevoel kreeg dat ik op een andere manier moest gaan werken. Ook na veel zoeken en goede gesprekken kon ik geen plek vinden die aansloot bij dat gevoel. Pas na een tijd kwam ik tot het (niet heel vernieuwende) inzicht dat ik ook gewoon voor mezelf kon beginnen. Dan had ik een plek om het in ieder geval uit te zoeken.

Het bureau is eind 2024 officieel gestart en ik krijg steeds beter het gevoel naar welke kant het op moet. Mijn voorlopige conclusie is dat het bureau voor mij een instrument is om vooral heel veel verschillende dingen te doen. Dan kan ik mezelf ontwikkelen en nieuwe dingen leren, wat ik toch eigenlijk gewoon het leukste vind om te doen. Ik kies daarom bewust voor een divers portfolio, wat met een eigen bureau ook veel makkelijker gaat. Zo heb ik een Wateratlas voor de Rotte gemaakt met Jan Oosterman en Matthijs Willemsen, ontwerp ik een speeltuin samen met architect Klaas Jan Geertsema, maak ik een film over verzilting met De Onkruidenier en Anastasija Pirozenko, en werk ik ook midden in Amsterdam aan openbare ruimte.

Met mijn bureau zit ik op de Nijverheid in Utrecht; een broedplaats vol met creatievelingen die niet werken met landschap, maar met dans, film of verf. Ik leer daar veel van. Hoe je op andere manieren kunt kijken en denken. Hoe je vorm kunt geven aan je gedachten. Het stimuleert me om meer buiten de gebaande paden te werken.

3. BREM werkt “van binnentuinen en parken tot rivieren en regio’s”. Op welke schaal voel jij je eigenlijk het meest thuis?

Grappig genoeg was ik hier heel erg mee bezig toen ik net begon met werken; nu denk ik daar helemaal niet meer aan. Vijf jaar geleden was het antwoord nog volmondig de grote schaal en wilde ik mezelf echt specialiseren. Ik werkte vooral aan complexe integrale projecten; lange trajecten, veel disciplines, meerdere overheden aan tafel, soms letterlijk met een conflict als aanleiding van het project. Eigenlijk een enorme puzzel waar niemand aan de voorkant weet waar het naartoe moet. Maar als je een klein bureau bent, word je niet snel voor zulke opgaven gevraagd. Grote opgaven, voor grote opdrachtgevers, gaan vaak naar grote bureaus. Dat snap ik ook wel. Je wilt zekerheid, stabiliteit, en het kost tijd om dat op te bouwen. Dat was even wennen, maar heeft me zoveel meer opgeleverd. Door de kleine schaal te snappen word je ook beter in voorstellen concreet maken op de grote schaal, de afwisseling is ook gewoon heel gaaf.

Ik ben wel tot de conclusie gekomen dat ik een systeemdenker ben, die Wageningse school zit er nou eenmaal in. Ik ben heel goed in complexe opgaven tot de essentie te brengen. Op de grote schaal met veel tegengestelde belangen komt dat goed van pas. Op de kleine schaal werkt dat natuurlijk net zo goed, maar bekijk ik het veel meer vanuit de context: hoe werkt een plek? Wat zijn de opgaven? Wat moet er worden opgelost? In die zoektocht is schoonheid heel belangrijk, maar ik kijk ook met bewondering naar poëtische ontwerpers die het op een totaal andere manier aanpakken.

De schaal waarop ik werk is dus minder relevant geworden, maar de manier waarop ik kan werken juist veel meer; wil de opdrachtgever er echt voor gaan? Kan ik met goede mensen samenwerken? Ik ben ook niet de persoon die met grote verhalen iedereen een kant op duwt, maar probeer samen met mensen de juiste kant op te bewegen. Een plek met ruimte voor mensen, biodiversiteit, groei, en onzekerheid.

Systeemdenken op de grote schaal en de kleine schaal. Beeld 1. Wateratlas de Rotte met Matthijs Willemsen en Jan Oosterman. Beeld 2. Waterbibliotheek met De Onkruidenier

Een mijn die kan groeien, om vervolgens naar iets anders te groeien. The Mineral Network, 1e plaatswinnaar bij de Europan 18. Other Speres, New Environments, BREM.

4. In jullie winnende Europan 18-inzending The Mineral Network laat je zien hoe een productielandschap ook ecologische waarde kan creëren. Die zoektocht lijkt een rode draad in je werk. Hoe is deze manier van kijken naar landschap ontstaan?

Daar ga ik met veel plezier mijn oud-professor Paul Roncken de schuld van geven. Samen met Jonas Papenborg studeerde ik af op het Eems estuarium. Samen met de Westerschelde is dat de laatste open verbinding tussen zoet en zout, maar is alsnog volledig naar de hand van de mens gezet. Het gevolg is dat bij elke vloed massa’s slib worden aangevoerd, maar dit wordt constant in beweging gehouden met als resultaat een bruine en zuurstofloze Eems. Door Paul ben ik gaan inzien dat landschapsarchitectuur een fantastische kracht kan zijn, maar dat het veelal zich te bescheiden optreedt. In plaats van alleen het landschap opvrolijken of herstellen, kunnen we het landschap vormen en er meer uithalen dan wat we er instoppen? Pauls term hiervoor was ‘landscape machines’. Grote landschappen, die draaien op krachten als wind, stroming, en getij, en vervolgens voor ons energie, schoon water, biodiversiteit, en eten genereren. Dit heb ik samen met Jonas doorgezet in ons plan ‘productief Moerdijk’ in opdracht van het CRa, en het is de basis geweest voor meerdere ontwerpstudio’s aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam.

Voor ‘The Mineral Network’ was dit ook onze aanpak. Wat als we geen afval mogen dumpen uit een nieuw te graven mijn? Dat betekent dat we het materiaal moeten zuiveren en opnieuw gebruiken, en niet in fabrieken, maar in en met het landschap. Met het team waren we snel overtuigd van deze richting; met Robert Younger en Giacomo Gallo van New Environments, specialisten in regionale stedenbouw, en Karlijn Besse van Other Spheres, onder andere specialist in phytoremediation, sloten we perfect op elkaar aan. Met een systeem van dijken, polders, en nieuwe eilanden vonden we onze aanpak bijna te cliché Nederlands, maar het was precies waar ze in Noorwegen naar zochten: het omdraaien van het probleem als kans om nieuwe gave landschappen te maken.

5. Je bent naast ontwerper ook actief als docent. Wat neem je vanuit het onderwijs mee naar je eigen praktijk?

Ik geef nu sinds 2020 les, vooral aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam, maar ook in Tilburg en Wageningen. Ik heb geleerd om zo veel mogelijk mijn eigen ego uit het proces te halen. Nu ik zelf lesgeef, zie ik ook wat de goede docenten voor mij hebben gedaan. Ze zetten mij aan het denken en vertelden niet ‘hoe het hoort’. Dan leer je één manier hoe het wel kan, en niet 20 andere manieren die misschien nu niet werken, maar ergens anders wel. Mijn meer ervaren studenten reageren hier bijna altijd goed op. De eerstejaars proberen toch eerst te vissen naar wat ik nou eigenlijk het mooiste vind. Daar draai ik dan lekker omheen.

Ik probeer ook meer experiment en durf in het onderwijs te krijgen. Ik ben er in ieder geval tegen om een paar dagen aan een mooi plaatje te werken, wat vervolgens 10 seconden in beeld is. Ik zet mijn studenten aan om te schetsen en om snelle montages direct in het begin van het proces te maken. In mijn eigen praktijk ben ik dat ook meer gaan toepassen. Een schets of montage kan precies het beeld laten zien waar een opdrachtgever naar zoekt. Of niet, maar dan heb ik het geprobeerd en maak ik weer een nieuwe. In plaats van te streven naar perfectie en het publiek omver te blazen, laat ik de zoektocht en de kieren zien. Mooie opgepoetste beelden hebben zeker hun plek, die probeer ik ook te maken, maar zijn vooral een manier om mijn verhaal kracht bij te zetten. Uiteindelijk ben je als landschapsarchitect toch vooral een verhalenverteller; iemand die woorden en beelden gebruikt om mensen te overtuigen om de wereld een beetje beter te maken. Ik kan me geen mooier vak bedenken.

Met EMiLA Summerschool ‘Marker Wadden-Laboratory Living with Nature’ het wad op